ECLI:NL:RBZWB:2024:15
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde winkelruimte in Breda
Belanghebbende, gebruiker van een winkelruimte in Breda, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €491.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde en legde de aanslag onroerendezaakbelasting op. De rechtbank beoordeelde het beroep op 23 november 2023 en onderzocht of de waarde te hoog was vastgesteld.
De waardebepaling is gebaseerd op de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de huurwaarde en kapitalisatiefactor zijn afgeleid uit vergelijkbare objecten. Belanghebbende stelde dat de waarde met 25% verlaagd moest worden en voerde onder meer aan dat het eigen huurcijfer niet verifieerbaar was en dat onvoldoende rekening was gehouden met de coronapandemie. De rechtbank oordeelde dat het eigen huurcijfer voldoende was onderbouwd en marktconform was, en dat de kapitalisatiefactor adequaat was vastgesteld. De effecten van de coronapandemie zijn volgens de rechtbank verwerkt in de huur- en verkooptransacties van vergelijkingsobjecten.
Verder stelde belanghebbende een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase. De rechtbank stelde vast dat de termijn van twee jaar niet was overschreden en wees het verzoek af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en aanslag OZB, wees het verzoek om schadevergoeding af en liet de proceskostenveroordeling achterwege.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding afgewezen.