ECLI:NL:RBZWB:2024:1505
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waardebeschikking en aanslag OZB woning
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning uit 2019 en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €508.000 per 1 januari 2020. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2021. De rechtbank beoordeelt het beroep en concludeert dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede op basis van vergelijkingsobjecten en een waardematrix.
Belanghebbende stelde dat hij niet alle gevraagde gegevens had ontvangen en dat er een schending was van het motiveringsbeginsel vanwege het ontbreken van een hoorverslag. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar niet verplicht was de gevraagde gegevens te verstrekken en dat de schending van artikel 7:7 Awb Pro geen gevolgen heeft voor de beschikking, maar wel leidt tot een veroordeling in proceskosten.
Verder werd een beroep gedaan op het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel, maar de rechtbank vond deze niet aannemelijk. De overschrijding van de redelijke termijn van circa tien maanden leidt tot een immateriële schadevergoeding van €100, waarvan een deel voor rekening van de heffingsambtenaar en de rest voor de Staat der Nederlanden komt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft de waarde en aanslag, en veroordeelt de heffingsambtenaar en de Staat tot betaling van de immateriële schadevergoeding, proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €508.000 blijft gehandhaafd, met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.