ECLI:NL:RBZWB:2024:1691
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslagen en vergrijpboetes wegens niet aangegeven buitenlands vermogen
Belanghebbende was eigenaar van een rijdende frietkraam en kocht in 1994 een pand voor horeca-activiteiten, die niet werden toegestaan door het bestemmingsplan. Voor de jaren 2010 tot en met 2016 heeft belanghebbende aangiften IB/PVV ingediend zonder het buitenlandse vermogen op Belgische bankrekeningen aan te geven.
De inspecteur stelde navorderingsaanslagen IB/PVV, rente en vergrijpboetes vast op basis van het niet aangegeven buitenlandse vermogen. Belanghebbende erkende ter zitting bewust de buitenlandse tegoeden niet te hebben aangegeven, ondanks het feit dat hij wist dat dit moest.
De rechtbank oordeelt dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan, waardoor omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is. De inspecteur heeft een redelijke schatting gemaakt en overtuigend aangetoond dat sprake is van opzet. De navorderingsaanslagen, boetes en rentebeschikkingen zijn terecht en passend opgelegd. Verzoeken tot verrekening, aangifte bij het Openbaar Ministerie en schadevergoeding worden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen, boetes en rentebeschikkingen voor de jaren 2010-2016 worden bevestigd en de beroepen worden ongegrond verklaard.