Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag bpm van € 1.943 en belastingrente van € 123, opgelegd door de inspecteur. De discussie betreft de vraag of twee Fiat 500 personenauto’s als nieuw of gebruikt moeten worden aangemerkt bij registratie in Nederland, waarbij belanghebbende afschrijving toepaste op basis van een koerslijst.
De rechtbank stelt vast dat beide auto’s slechts 9 kilometer hadden gereden bij registratie en geen feiten zijn aangevoerd die duiden op eerder gebruik op de weg. Hierdoor kwalificeren de auto’s als nieuwe voertuigen volgens de Wet bpm, en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Daarnaast is het beroep op schending van het Unierecht en hoorplicht verworpen.
De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep met circa 45 maanden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 4.000, verdeeld tussen de inspecteur en de Staat. Tevens wordt het griffierecht en een deel van de proceskosten aan belanghebbende vergoed, inclusief wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag en belastingrente blijven gehandhaafd, maar belanghebbende wordt gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn.