ECLI:NL:RBZWB:2024:1817
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskosten- en rentevergoeding terecht belast als winst uit onderneming
Belanghebbende, handelend onder een eenmanszaak, voerde civiele procedures tegen zijn voormalige werkgever vanwege onbetaalde facturen voor subsidieaanvragen. Na een arrest van de Hoge Raad ontving hij een proceskostenvergoeding en rentevergoeding. De inspecteur belastte deze vergoedingen als winst uit onderneming in de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020.
Belanghebbende stelde dat deze vergoedingen niet tot de winst uit onderneming behoren omdat het saldo van kosten en vergoedingen nihil zou zijn en dat de vergoedingen als privévermogen moesten worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat de vergoedingen voortvloeien uit de ondernemingsactiviteit en dat de civiele procedure noodzakelijk was voor het innen van openstaande facturen, waardoor de vergoedingen tot de winst uit onderneming behoren.
De rechtbank verwierp het primaire en subsidiaire standpunt van belanghebbende en wees de verwijzing naar het notarisarrest af als niet vergelijkbaar. De aanslag IB/PVV 2020 blijft in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de proceskosten- en rentevergoeding tot de winst uit onderneming behoren.