ECLI:NL:PHR:2023:1011
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekening wettelijke handelsrente aan resultaat uit overige werkzaamheden
In deze zaak staat de toerekening van de wettelijke handelsrente die belanghebbende in 2017 ontving vanwege vertraagde betaling van een beloning uit 2010 centraal. De rechtbank had geoordeeld dat deze rentevergoeding tot het resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) behoort, omdat deze direct verband houdt met een vordering die tot het ROW-vermogen behoort.
Belanghebbende stelde cassatie in met het argument dat de rentevergoeding niet als ROW-inkomen moet worden aangemerkt, omdat de vordering zelf niet tot het ROW zou behoren en de rente een compensatie is voor gemist rendement dat anders in box 3 zou zijn belast. De A-G leidde uit jurisprudentie een beslisschema af waarbij het milieucriterium centraal staat, ondersteund door causaliteit, finaliteit en vermogensetikettering. Dit schema is ook toepasbaar op ROW.
De A-G concludeert dat de rechtbank het beslisschema juist heeft toegepast en dat de rentevergoeding terecht tot het ROW is gerekend. De stelling van belanghebbende dat vermogensetikettering geen zelfstandige betekenis heeft, wordt verworpen. Ook de vergelijkingen met andere situaties (zoals loonsfeer of deelnemingsvrijstelling) zijn niet doorslaggevend. De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond te verklaren en geen aanvullende harde regels te formuleren, gezien het open normenstelsel in het belastingrecht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de wettelijke handelsrente behoort tot het resultaat uit overige werkzaamheden.