ECLI:NL:RBZWB:2024:1901
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling box 3-heffing: werkelijk rendement hoger dan forfaitair rendement
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2021, waarbij de box 3-heffing werd vastgesteld op basis van het forfaitaire rendement. Hij stelde dat zijn werkelijke rendement hoger was dan het forfaitaire rendement en dat de heffing daardoor te hoog was.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de Wet rechtsherstel box 3 niet tot een gunstiger resultaat voor belanghebbende heeft geleid, omdat zijn werkelijk rendement hoger is dan het forfaitaire rendement. Hierdoor is er geen sprake van een schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM in samenhang met artikel 14 van Pro het EVRM, zoals in het Kerstarrest is vastgesteld.
De rechtbank heeft ook beoordeeld of sprake is van een individuele en buitensporige last. Gezien de financiële situatie van belanghebbende, die voldoende inkomen en rendement heeft om de heffing te voldoen, is dit niet het geval.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en blijft de aanslag in stand. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.