Belanghebbende, eigenaar van een restaurant met hotel, betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van € 942.000 per 1 januari 2020 en stelde een waarde van maximaal € 620.000 voor. De rechtbank beoordeelde de waardebepaling aan de hand van de huurwaardekapitalisatiemethode en concludeerde dat de heffingsambtenaar de waarde niet te hoog had vastgesteld. De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met vergelijkingsobjecten en een kapitalisatiefactor van 11,2, die niet gemotiveerd werd betwist.
Belanghebbende voerde aan dat de gehanteerde huurwaarde te hoog was en dat rekening had moeten worden gehouden met leegstandsrisico en een coronacorrectie. De rechtbank vond de uitleg van de heffingsambtenaar over huurdersinvesteringen en onderhoudskosten voldoende en oordeelde dat het leegstandsrisico adequaat in de kapitalisatiefactor was verwerkt. Een coronacorrectie was niet aan de orde omdat de waardepeildatum voorafging aan de pandemie.
Daarnaast maakte belanghebbende aanspraak op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de termijn met ongeveer negen maanden was overschreden en kende een vergoeding van € 100 toe, alsmede proceskosten van € 218,75. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag gehandhaafd blijven.