ECLI:NL:RBZWB:2024:2124
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde winkelruimte in Vlissingen
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een winkelruimte in Vlissingen, die initieel op €496.000 was vastgesteld en na bezwaar werd verlaagd naar €393.000. De rechtbank beoordeelde het beroep op 3 januari 2024, waarbij belanghebbende niet aanwezig was, en concludeerde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
De waardebepaling vond plaats volgens de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de huurwaarde en kapitalisatiefactor werden gebaseerd op vergelijkbare objecten. De rechtbank oordeelde dat de gehanteerde huurwaarde lager was dan de werkelijke huur en dat de kapitalisatiefactor niet te hoog was, mede door een correctie van 4% vanwege de coronapandemie. De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende dat onvoldoende rekening was gehouden met de coronagevolgen, mede omdat de waardepeildatum 1 januari 2020 was, toen de pandemie nog nauwelijks speelde.
Verder wees de rechtbank een verzoek tot heropening van het onderzoek af vanwege ziekte van de gemachtigde en wees een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, mede omdat de vergoeding aan de gemachtigde zou toekomen en de gemachtigde zelf vertraging had veroorzaakt. De rechtbank handhaafde de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting voor het belastingjaar 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €393.000 wordt gehandhaafd.