ECLI:NL:GHDHA:2023:2119
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WOZ-waarde woning en afwijzing vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde voor het jaar 2020 is vastgesteld op € 326.000. Tegen deze beschikking en de daarop gebaseerde aanslag is bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afwees. Belanghebbende ging hiertegen in hoger beroep.
De Rechtbank oordeelde dat de Heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, onder meer op basis van een taxatieverslag en vergelijkingsobjecten. De stellingen van belanghebbende over onder meer de coronacrisis en onderhoudssituatie faalden wegens onvoldoende onderbouwing. Ook het ontbreken van een hoorverslag werd niet als onzorgvuldig beoordeeld.
Ten aanzien van de redelijke termijn constateerde de Rechtbank een overschrijding van ongeveer zes maanden, maar achtte bijzondere omstandigheden aanwezig, zoals de grote hoeveelheid zaken en beperkte beschikbaarheid van de gemachtigde en herhaalde niet onderbouwde beroepen op betalingsonmacht, die tot vertraging leidden. Daarnaast was de vergoeding van immateriële schade gecedeerd aan de gemachtigde, waardoor geen sprake was van spanning en frustratie bij belanghebbende. Het Gerechtshof bevestigt deze oordelen en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.