ECLI:NL:RBZWB:2024:2164
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding op basis van samenlevingscontract
Eiser ontving bijstand als alleenstaande met een kostendeler sinds september 2020, nadat hij bij een vriend was ingetrokken. Na onderzoek concludeerde Baanbrekers dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, maar kende bijstand toe met de verplichting een zelfstandige woonruimte te zoeken.
In oktober 2022 sloten eiser en zijn huisgenoot een samenlevingsovereenkomst met terugwerkende kracht tot september 2020, waarin zij als gehuwden werden aangemerkt. Baanbrekers trok daarop de bijstand in en wees een nieuwe aanvraag af, omdat zij volgens de Participatiewet als gehuwden worden beschouwd.
Eiser stelde dat het samenlevingscontract op misverstand berustte en dat er geen affectieve relatie of gezamenlijke huishouding was, maar de rechtbank oordeelde dat het contract en het hoofdverblijf een onweerlegbaar vermoeden van gezamenlijke huishouding opleveren. Baanbrekers hoefde daarom geen nader onderzoek te doen en handelde binnen zijn bevoegdheid.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waarbij eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding kreeg. De uitspraak bevestigt dat het sluiten van een samenlevingscontract met hoofdverblijf in dezelfde woning voldoende is voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding in het kader van de Participatiewet.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering en afwijzing van de nieuwe aanvraag wordt ongegrond verklaard.