ECLI:NL:CRVB:2018:3262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en herziening bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante en appellant ontvingen bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Lelystad. Na een onderzoek van de sociale recherche naar een vermoedelijke gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres, trok het college de bijstand van appellante in en herzag de bijstand van appellant. Dit omdat appellanten niet hadden gemeld dat zij gezamenlijk een huishouden voerden, waardoor zij onterecht bijstand ontvingen volgens de norm voor alleenstaande ouder respectievelijk alleenstaande.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoofdverblijf van appellant op het uitkeringsadres lag, ondanks zijn stelling dat hij in een camper of skihut verbleef. De camper en skihut werden niet als zelfstandige woningen beschouwd omdat zij niet waren aangesloten op nutsvoorzieningen en afhankelijk waren van de woning van appellante. De verklaringen van appellanten en getuigen, alsmede de bevindingen van de sociale recherche, ondersteunden dit oordeel.
Verder stelde de Raad vast dat het college terecht de bijstand had ingetrokken en herzien vanwege de schending van de inlichtingenplicht door appellanten. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en wees de beroepen van appellanten af. Proceskosten werden niet aan appellanten toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en herziening van bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding.