Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 14 juni 2022. Betrokkene voerde aan de gedraging niet te hebben verricht en dat de politie dit verkeerd had waargenomen. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting bleek dat de verbalisant geen stopteken had gegeven en zich de gedraging niet meer kon herinneren. De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende bewijs vormt, tenzij specifieke feiten twijfel rechtvaardigen. Betrokkene bracht echter geen feiten aan die twijfel opriepen.
Wel stelde de kantonrechter vast dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was, omdat de verbalisant geen middelen tot staandehouding had en dit niet voldoende was onderbouwd met aanvullende omstandigheden. Hierdoor was de boete ten onrechte aan de kentekenhouder opgelegd. De beslissing en boete werden vernietigd en het betaalde bedrag van €359 moest worden terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de boete en beslissing worden vernietigd wegens ontbreken reële mogelijkheid tot staandehouding.