Eisers kregen op 10 augustus 2021 een besluit van de minister waarbij hun derogatievergunning werd ingetrokken en bestuurlijke boetes van in totaal € 42.757,- werden opgelegd. Na bezwaar verklaarde de minister het bezwaar ongegrond, waarna eisers beroep instelden bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
De rechtbank stelde in een tussenuitspraak vast dat eisers uitgingen van verkeerde mestputafmetingen, waardoor verkeerde mesthoeveelheden werden opgegeven. De minister moest de boete opnieuw berekenen uitgaande van een beginvoorraad drijfmest van 2.154 ton en 25 ton droge mest per 1 januari 2018. De minister berekende een boete van € 27.874,-, maar hield geen rekening met de derogatievrijstelling. Eisers berekenden zelf een boete van € 1.682,- met die vrijstelling.
De rechtbank oordeelde dat de derogatievergunning over 2018 was ingetrokken en daarom uit moest worden gegaan van de normale gebruiksnormen, wat de boete op € 27.874,- bracht. Daarnaast werd een boete van € 300,- opgelegd voor het niet naar waarheid verstrekken van gegevens. De rechtbank matigde de boete met 15% vanwege een overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de boete werd vastgesteld op € 23.947,90.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit wat betreft de boete. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eisers ter hoogte van € 3.435,50. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit.