Eiser ontvangt een bijstandsuitkering en is vanwege chronische lichamelijke klachten tijdelijk ontheven van arbeidsverplichtingen tot 10 maart 2024. Het college verleent ontheffing van arbeidsplicht, maar handhaaft de re-integratieverplichting en de verplichting zich fatsoenlijk te gedragen tegenover medewerkers. Eiser maakt bezwaar tegen deze verplichtingen en stelt dat de re-integratieverplichting vaag en rechtsonzeker is en dat de fatsoensverplichting criminaliserend is.
De rechtbank beoordeelt dat eiser procesbelang heeft, omdat het oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor toekomstige perioden. De arbeidsverplichtingen zijn van rechtswege verbonden aan de bijstand en het college heeft voldoende gemotiveerd dat de re-integratieverplichting en fatsoensverplichting blijven gelden. Hoewel het college pas in beroep op de bezwaargronden is ingegaan, is het motiveringsgebrek niet benadelend voor eiser.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de geldigheid van de verplichtingen en veroordeelt het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De kosten van de bezwaarprocedure worden niet vergoed, omdat het bestreden besluit niet is herroepen.