Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 2 augustus 2023 waarin een WIA-uitkering per 19 april 2021 werd geweigerd. Het UWV heeft niet binnen de wettelijke termijn op dit bezwaar beslist. Eiser stelde het UWV op 22 februari 2024 in gebreke, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is omdat het UWV niet binnen de maximale beslistermijn van zeventien weken plus verlenging van zes weken heeft beslist. De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen vier maanden na verzending van het vonnis alsnog een besluit moet nemen, gelet op de noodzaak van een zorgvuldige heroverweging en het belang van een tijdige beslissing.
Daarnaast legt de rechtbank een bestuurlijke dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken sinds de ingebrekestelling, stelt de rechtbank de dwangsom vast op het maximale bedrag van €1.442. Tevens veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.