ECLI:NL:RBZWB:2024:2745

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
26 april 2024
Zaaknummer
10459023 \ MB VERZ 23-189
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 154b GemwArt. 5:10 APV BredaArt. 121 GemwWahvWVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bestuurlijke boete voor stilstaand voertuig op groenstrook

Betrokkene kreeg een bestuurlijke boete opgelegd wegens het stil laten staan van een motorvoertuig op een groenstrook aan de Liniestraat te Breda op 13 januari 2023. Tegen deze boete werd bezwaar gemaakt bij de gemeente Breda, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de rechtbank.

De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de toepasselijke gemeentelijke verordening in strijd zou zijn met hogere wetgeving, namelijk de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), en dat uit de foto niet bleek dat de groenstrook was aangetast. De gemeente stelde dat de APV het beschermen van groenvoorzieningen regelt en dat de boete binnen de discretionaire bevoegdheid van de gemeente viel.

De rechtbank oordeelde dat de gemeentelijke verordening niet in strijd is met hogere wetgeving en dat de gedraging van betrokkene vaststaat. De rechtbank zag geen reden om de boete te matigen en verklaarde het beroep ongegrond. Ook werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer : 10459023 \ MB VERZ 23-189
beschikkingsnummer : 13012317004960547800/3082687
uitspraakdatum : 26 maart 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : onbekend
woonplaats : onbekend
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. I.N.D.J Rissema (Bezwaartegenverboetes.nl)
adres : Postbus 569
woonplaats : 3300 AN Dordrecht

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een bestuurlijke boete (hierna: boete) opgelegd. Gemachtigde heeft daartegen bezwaar ingesteld bij de gemeente Breda. De gemeente Breda heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is door gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 26 maart 2024. Namens de gemeente Breda zijn verschenen mevrouw [naam] en mevrouw mr. J. Bajric (hierna: zittingsvertegenwoordiger(s)). Betrokkene en gemachtigde zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: met een motorvoertuig stilstaan in het openbaar groen op 13 januari 2023 op de Liniestraat te Breda.
Gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de bestuurlijke boete vernietigd dient te worden. Gemachtigde stelt dat het samenstel van de bepalingen, te weten artikel 154b van de Gemeentewet (Gemw) in samenhang met artikel 5:10 van Pro de Algemeen Plaatselijke Verordening (hierna: APV) van Breda onverbindend is op grond van artikel 121 Gemw Pro. Volgens gemachtigde regelt de APV iets dat in strijd is met de Wahv. Tot slot blijkt volgens de gemachtigde uit de foto niet dat de groenstrook is aangetast.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het is voor de zittingsvertegenwoordiger onduidelijk waarom het volgens de gemachtigde in strijd is met de Wahv. De APV regelt het beschermen van de groenvoorziening. De gemeente heeft een discretionaire bevoegdheid waarbij zij de mogelijkheid heeft om te beboeten via bestuurlijke boetes. De boete voor eenzelfde soort overtreding is nu zelfs ietsje lager dan dat deze op grond van de Wahv zou luiden.

Overwegingen

Op grond van artikel 154b Gemw kan de (gemeente)raad, kort gezegd, bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van voorschriften uit de APV die zien op overlast in de openbare ruimte. In dit geval heeft de raad in lid 1 van de Verordening bepaald dat overtreding van artikel 5:10, eerste lid, APV kan worden beboet met een bestuurlijke boete. In artikel 5:10, eerste lid, APV is, voor zover hier van belang, vermeld dat het verboden is met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of door een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. Artikel 121 Gemw Pro bepaalt, voor zover hier van belang, dat de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen gehandhaafd blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten is voorzien, voor zover de verordeningen niet met die wetten in strijd zijn.
Normen opgenomen in de APV kunnen slechts gedragingen betreffen die niet worden geregeld door hogere regelgeving, waaronder in het onderhavige geval moet worden begrepen de WVW 1994 en het daarop gebaseerde RVV 1990 (zie ook ECLI:NL:GHARL:2017:6064). De bepaling in de APV verbiedt expliciet het laten (stil)staan van een voertuig in een park, plantsoen, van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Een dergelijke specifieke bepaling is niet opgenomen in de WVW 1994 of het RVV 1990. Het verweer van betrokkene dat voornoemde bepaling onverbindend is gelet op artikel 121 Gemw Pro treft reeds daarom geen doel. Voor zover is bedoeld te betogen dat de raad niet bevoegd is de Verordening te maken nu zij ook een boete kan opleggen op grond van de Wahv, valt zonder nadere onderbouwing niet in te zien waarom de raad hiertoe niet bevoegd zou zijn. Onduidelijk is waarom de beide handhavingsbevoegdheden tegenstrijdig aan elkaar zouden zijn, dan wel dat de één voorrang zou moeten krijgen boven de ander. Daarnaast past het naar het oordeel van de kantonrechter binnen de discretionaire bevoegdheid van de gemeente om te handhaven door middel van de bestuurlijke boete. De boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Betrokkene heeft zijn voertuig stil laten staan op een groenstrook.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Gelet hierop is er geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, Postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: