ECLI:NL:RBZWB:2024:2821
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen box 3 heffing op basis van werkelijk rendement 2021
Belanghebbenden, fiscale partners, maakten bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021 met betrekking tot het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3). Zij stelden dat hun werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire rendement dat de inspecteur hanteerde, onder verwijzing naar het kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.
De inspecteur handhaafde de aanslagen conform de ingediende aangiften en betwistte dat belanghebbenden aannemelijk hadden gemaakt dat het werkelijke rendement lager was. De rechtbank overwoog dat belanghebbenden geen voldoende bewijs hadden geleverd voor het netto rendement op de post overige vorderingen (crowdfunding) en dat ook de waardevermeerdering van verpachte landbouwgronden hoger werd gesteld door de inspecteur dan door belanghebbenden.
De rechtbank stelde vast dat de vergelijking tussen werkelijk en forfaitair rendement voor het gehele vermogen gezamenlijk moet worden gemaakt. Omdat belanghebbenden niet aannemelijk maakten dat het werkelijk behaalde rendement lager was dan het forfaitaire, werd geen schending van het EVRM aangenomen. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat griffierechten en proceskosten niet worden vergoed.
Uitkomst: De beroepen tegen de box 3 heffing 2021 worden ongegrond verklaard omdat het werkelijk rendement niet aannemelijk lager is dan het forfaitaire rendement.