Belanghebbende, woonachtig in Frankrijk, diende de aangifte inkomstenbelasting 2021 op 14 oktober 2022 in, na de gestelde aanmaningstermijn van 12 oktober 2022. De inspecteur legde gelijktijdig met de aanslag een verzuimboete van €385 op wegens deze te late indiening.
Belanghebbende betwistte de ontvangst van de uitnodigings- en aanmaningsbrieven, maar de inspecteur leverde verzendrapportages aan waaruit bleek dat deze brieven op correcte wijze aan PostNL ter verzending waren aangeboden. De rechtbank achtte dit bewijs overtuigend en verwierp het betoog van belanghebbende.
Verder stelde belanghebbende dat hij telefonisch te horen had gekregen dat hij tot 15 oktober 2022 de aangifte kon indienen zonder boete. De inspecteur toonde aan dat dit niet het geval was en dat de informatie juist was verstrekt over de gevolgen van te late indiening. De rechtbank oordeelde dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde.
Omdat geen sprake was van afwezigheid van alle schuld en belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij de uiterste termijn redelijkerwijs niet kon naleven, werd de verzuimboete als passend en geboden beschouwd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het griffierecht bleef voor rekening van belanghebbende.