Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarden van zijn woning voor de belastingjaren 2021 en 2022, die door de heffingsambtenaar waren vastgesteld op respectievelijk €594.000 en €632.000. Na bezwaar werden deze waarden verlaagd naar €522.000 en €565.000. De rechtbank beoordeelde of deze waarden nog steeds te hoog waren vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar met taxatierapporten en vergelijkingsmethoden voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarden niet te hoog waren vastgesteld. Correcties voor achterstallig onderhoud en sloopkosten van een aanbouw waren adequaat toegepast. Nieuwe standpunten van belanghebbende werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.
Daarnaast stelde belanghebbende een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank stelde vast dat de termijn met ongeveer zes tot zeven maanden was overschreden en kende een vergoeding toe van in totaal €150. Proceskostenvergoeding en griffierecht werden afgewezen. Wettelijke rente wordt toegekend indien de vergoeding niet binnen vier weken wordt betaald.