Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2020, met name over de vaststelling van de inkomsten uit eigen woning en de ingehouden loonheffing. De rechtbank heeft het beroep op 29 maart 2024 behandeld, waarbij belanghebbende en haar echtgenoot niet aanwezig waren.
De rechtbank oordeelt dat de aanslag niet te hoog is opgelegd. De waarde van de eigen woning is conform de door belanghebbende opgegeven WOZ-waarde gehanteerd en de aftrek wegens geringe eigenwoningschuld is eveneens ongewijzigd gebleven. De inspecteur heeft terecht alleen de loonheffing van ABP (€1.728) in aanmerking genomen, en niet de door belanghebbende opgevoerde bedragen voor SVB, griffierechten en portokosten.
Verzoeken om uitstel en wijziging van de zittingslocatie werden afgewezen vanwege het belang van een doelmatige procesgang en het ontbreken van digitale deelname door belanghebbende. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat belanghebbende geen aanvullende omstandigheden heeft aangevoerd die een afwijkend standpunt van de inspecteur rechtvaardigen.
Het verzoek om schadevergoeding wegens door de Belastingdienst toegebracht leed wordt niet in behandeling genomen omdat het beroep ongegrond is. De aanslag blijft ongewijzigd, en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.