Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van €7.077 opgelegd door de inspecteur, waarbij discussie bestond over de waardevermindering van de auto door schade en huurverleden, de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde. De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog was opgelegd.
De rechtbank stelde vast dat de historische nieuwprijs moest worden gebaseerd op de netto catalogusprijs van een vergelijkbare referentieauto en de historische bruto BPM, wat leidde tot een hogere vaststelling dan door de inspecteur was voorgesteld. De handelsinkoopwaarde werd dienovereenkomstig verhoogd vanwege het hogere CO2-uitstootverschil en de uitgebreide standaarduitrusting van de auto.
Belanghebbende kon geen aannemelijk bewijs leveren voor een waardevermindering wegens schade of huurverleden. De rechtbank wees het verzoek tot waardevermindering af en verklaarde het beroep ongegrond. Wel werd een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend voor de overschrijding van de redelijke termijn, alsmede een proceskostenvergoeding van €218,75 en vergoeding van het griffierecht van €365.