Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de A58 te Tilburg op 22 september 2021. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, die door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelt dat de gedraging vaststaat en dat de boete terecht aan de kentekenhouder is opgelegd omdat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was, aangezien de overtreding met een camerasysteem is geconstateerd. Wel is de redelijke termijn overschreden, aangezien de boete op 28 oktober 2021 werd opgelegd en de procedure tot 23 april 2024 duurde, wat ruim 25 weken langer is dan de toegestane termijn van twee jaar.
Daarom wordt de boete gematigd met 25%. Tevens wordt een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten van het beroep bij de kantonrechter. De officier van justitie wordt veroordeeld tot terugbetaling van een teveel betaalde zekerheidstelling en tot vergoeding van de proceskosten van € 437,50. De beslissing van de officier van justitie wordt dienovereenkomstig gewijzigd.
Uitkomst: De boete wordt gematigd met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn en betrokkene ontvangt een proceskostenvergoeding.