Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het parkeren van een voertuig voor een inrit op 12 augustus 2022. Tegen deze boete stelde betrokkene beroep in bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter behandelde de zaak op 23 april 2024, waarbij betrokkene niet aanwezig was. De officier van justitie verzocht om niet-ontvankelijkheid van het beroep omdat het te laat was ingediend. Betrokkene gaf als reden op dat zij pas later hoorde dat de beschikking van haar buurman was kwijtgescholden en voerde aan dat het parkeren achter haar woning gebruikelijk was.
De kantonrechter oordeelde dat het beroep te laat was ingediend, namelijk na de wettelijke termijn van zes weken, en dat betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het te laat indienen haar niet kon worden toegerekend. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de inhoudelijke beoordeling van de boete achterwege bleef.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder geldige reden.