ECLI:NL:RBZWB:2024:3435
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op € 1.121.000 per 1 januari 2021. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de waarde te hoog was vastgesteld.
De waarde is bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen zijn gebruikt die qua ligging, bouwjaar en oppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn. Hoewel belanghebbende aanvoerde dat de referentiewoningen binnen de bebouwde kom liggen en zijn woning buiten, heeft de heffingsambtenaar dit verschil meegenomen via een aangepaste grondstaffel. De rechtbank acht dit voldoende.
Belanghebbende stelde dat de waarde in 2019 op € 900.000 was vastgesteld en dat de huidige waardering te hoog is vanwege een verkeerde uitgangswaarde, maar de rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele vergelijkingsobjecten. Ook de bouwkosten van het zwembad en de marktontwikkelingen zijn volgens de rechtbank adequaat verwerkt.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag OZB volgt dit oordeel en blijft gehandhaafd. Het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van € 1.121.000 blijft gehandhaafd.