ECLI:NL:RBZWB:2024:3748

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2024
Publicatiedatum
5 juni 2024
Zaaknummer
BRE 22/4139
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaren wegens overschrijding bezwaartermijn

Belanghebbende heeft verzet ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank van 17 november 2023 en 12 januari 2024, waarin zijn beroepen ongegrond werden verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van bezwaren wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

De rechtbank heeft de verzetten op 21 mei 2024 behandeld en beoordeelt of de eerdere uitspraken terecht waren. Belanghebbende betwist dat de naheffingsaanslagen tijdig zijn verzonden en stelt deze pas kort voor het indienen van de bezwaarschriften te hebben ontvangen.

De rechtbank volgt de vaste jurisprudentie dat de verzender, hier de inspecteur, moet aantonen wanneer de stukken zijn verzonden. Omdat de inspecteur nog niet heeft kunnen reageren op deze betwisting, verklaart de rechtbank het verzet gegrond om de inspecteur die gelegenheid te geven.

Hierdoor vervallen de eerdere uitspraken en worden de onderzoeken hervat in de stand van zaken ten tijde van die uitspraken. De rechtbank wijst proceskostenvergoedingen af vanwege het late tijdstip van de betwisting door belanghebbende en zal nog niet beslissen over verzoeken om immateriële schadevergoeding.

Uitkomst: De verzetten van belanghebbende zijn gegrond verklaard en de onderzoeken worden hervat.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/4139, 22/5338 tot en met 22/5340, 23/199, 23/756, 23/1325 en 23/2376

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2024 op de verzetten van

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: [naam] ),
tegen de uitspraken van de rechtbank van 17 november 2023 en 12 januari 2024 in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de belastingdienst

Inleiding

1. Deze uitspraak op de verzetten van belanghebbende gaat over de uitspraken van de rechtbank van 17 november 2023 en 12 januari 2024 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft de verzetten op 21 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraken van 17 november 2023 en 12 januari 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verzetten gegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De beroepen van belanghebbende
4. De beroepen van belanghebbende gingen over de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De uitspraken van 17 november 2023 en 12 januari 2024
5. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. Het Unierecht staat daaraan niet in de weg [2] . Hetgeen belanghebbende in zijn pleitnota aanvoert omtrent de toetsing van het Unierecht door de Hoge Raad leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
6. De rechtbank heeft de beroepen kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Verzet van belanghebbende

7. Belanghebbende betwist in verzet dat de naheffingsaanslagen zijn verzonden op of voor de datum van dagtekening en stelt dat hij de naheffingsaanslagen pas later, namelijk kort voor het indienen van de bezwaarschriften, heeft ontvangen.
8. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [3] volgt dat bij betwisting van (het tijdstip van) de verzending van een stuk het op de weg van de verzender, in dit geval de inspecteur, ligt om aannemelijk te maken op welke datum het stuk is verzonden. Nu belanghebbende (het tijdstip van) de verzending van de naheffingsaanslagen betwist en de inspecteur nog niet de gelegenheid heeft gehad om op de eerst in verzet ingenomen stelling van belanghebbende te reageren, ziet de rechtbank aanleiding om de verzetten gegrond te verklaren teneinde de inspecteur daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen.

Conclusie en gevolgen

9. Uit de beoordeling van de gronden van verzet volgt dat de onder 1 genoemde uitspraken van de rechtbank niet in stand kunnen blijven. De verzetten zijn gegrond. Dat betekent dat de onder 1 genoemde uitspraken vervallen en de rechtbank de onderzoeken in alle zaken hervat in de stand waarin die zich bevonden ten tijde van die uitspraken.
10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de verzetprocedures. Belanghebbende heeft voor het eerst in verzet het tijdstip van verzending van de naheffingsaanslagen betwist, terwijl dat in een veel eerder stadium had gekund. Zowel in de bezwaar- als beroepsfase was er voldoende gelegenheid die stelling in te nemen. Daarom ziet de rechtbank af van het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de verzetprocedures.
11. De rechtbank zal in deze verzetprocedures nog niet beslissen op de verzoeken om immateriëleschadevergoeding. Die verzoeken zullen in het vervolg van de procedures worden beoordeeld.

Beslissing

De rechtbank verklaart de verzetten gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.H. van Schaik, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 4 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Hoge Raad 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966.
3.Hoge Raad 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1175.