Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2024:3935

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 juni 2024
Publicatiedatum
10 juni 2024
Zaaknummer
20/4781
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:31 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:104 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over verzoek tot geheimhouding van stukken in belastingzaak

In deze bestuursrechtelijke zaak betreffende een verzoek om geheimhouding van stukken in een belastinggeschil heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 juni 2024 een beslissing genomen. De inspecteur van de Belastingdienst had verzocht om geheimhouding van bepaalde passages in bijlagen bij het verweerschrift, waarbij gelakte passages waren opgenomen. De gemachtigde van belanghebbende verzette zich alleen tegen geheimhouding van drie specifieke bijlagen (100, 103 en 112).

De geheimhoudingskamer heeft geen zitting gehouden vanwege de aard van de procedure en heeft de stukken zorgvuldig gewogen. Voor de meeste bijlagen met gelakte passages die niet betwist werden, is het verzoek tot geheimhouding toegewezen. Voor de drie betwiste bijlagen heeft de rechtbank geoordeeld dat de inspecteur onvoldoende heeft toegelicht waarom geheimhouding gerechtvaardigd is, waardoor het verzoek voor die stukken is afgewezen, behalve voor persoonsgegevens.

De rechtbank heeft belanghebbende erop gewezen dat ongeschoonde versies van stukken die hij al bezit niet aan de kamer in de hoofdzaak worden verstrekt, maar dat belanghebbende deze zelf ongeschoond kan inbrengen. De inspecteur krijgt de gelegenheid binnen vier weken te reageren op de gevolgen van deze beslissing. Tegen deze beslissing kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep in de hoofdzaak.

Uitkomst: Het verzoek tot geheimhouding van drie bijlagen is afgewezen wegens onvoldoende motivering, overige verzoeken tot geheimhouding zijn toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige geheimhoudingskamer
Locatie: Breda
zaaknummer: BRE 20/4781
beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

(gemachtigde: mr. L.H.E. Møller),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Het verzoek

1. De inspecteur heeft, met dagtekening 16 juni 2020, in de in hoofde genoemde zaak een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Op 10 maart 2023 heeft de inspecteur aanvullende zaakstukken ingediend. De inspecteur heeft bij brief, eveneens met dagtekening 10 maart 2023 (de aanbiedingsbrief), met betrekking tot diverse bijlagen een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Awb gedaan. De inspecteur heeft in zijn aanbiedingsbrief vermeld dat hij per bijlage heeft aangegeven met welke reden hij een beroep doet op geheimhouding. De inspecteur heeft daarbij een geschoonde en ongeschoonde versie overgelegd van de stukken die volgens hem deels geheimgehouden moeten worden (de geheimgehouden stukken). Het betreft in alle gevallen gelakte passages (de gelakte passages).
1.1.
De geheimgehouden stukken zijn door de inspecteur verstrekt aan de geheimhoudingskamer van de rechtbank. De rechtbank heeft een afschrift van het verweerschrift en een afschrift van de aanbiedingsbrief aan de gemachtigde van belanghebbende verstrekt. Een afschrift van de geschoonde stukken is eveneens aan de gemachtigde van belanghebbende verstrekt.
1.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft, bij brieven van 15 juni 2023 en 3 mei 2024, gereageerd op het verzoek van de inspecteur. Daarbij heeft hij aangegeven zich niet te verzetten tegen de geheimhouding van de in de bijlagen gelakte passages met uitzondering van de bijlagen met nummers 100, 103 en 112. Voor zover persoonsgegevens in deze drie bijlagen zijn geschoond verzet belanghebbende zich overigens niet tegen het verzoek van de inspecteur om geheimhouding.

Overwegingen

Geen zitting
2. De geheimhoudingskamer heeft besloten een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet nodig is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. [1]
Beoordelingskader
2.1.
De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van Pro de Awb brengt niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van Pro de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).
2.2.
De inspecteur heeft verzocht om geheimhouding van de gelakte passages.
2.3.
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.
Beoordeling van het verzoek
2.4.
De geheimhoudingskamer heeft, met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb, kennis genomen van de geheimgehouden stukken en van de stukken van de hoofdzaak. Deze stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de redenen van de inspecteur om die stukken geheim te houden.
2.5.
De geheimhoudingskamer ziet geen aanleiding om voor wat betreft de bijlagen met gelakte passages waarbij belanghebbende zich niet verzet tegen het verzoek om geheimhouding anders te oordelen. De geheimhoudingskamer wijst het verzoek van de inspecteur om geheimhouding daarom in zoverre toe. Belanghebbende heeft ten aanzien van een aantal van deze stukken aangegeven reeds in het bezit te zijn van de ongeschoonde versies. De geheimhoudingskamer wijst belanghebbende erop dat de ongeschoonde stukken die de geheimhoudingskamer van de inspecteur heeft gekregen niet zullen worden verstrekt aan de kamer die in de hoofdzaak zal beslissen. Indien belanghebbende het van belang acht dat de kamer die in de hoofzaak zal beslissen kennis zal nemen van één of meer van de ongeschoonde stukken die belanghebbende reeds in het bezit heeft, kan belanghebbende dat betreffende stuk / deze stukken ongeschoond inbrengen in de hoofdzaak.
2.6.
De inspecteur heeft de voorbladen van de bijlagen 100, 103 en 112 voorzien van de volgende opschriften:
- Bijlage 100:
“Hierna kopie van het originele stuk
Waarvan in bijlage bij verweerschrift passages met intern/strategisch beraad zijn (geel)gelakt (afgeplakt)
- Bijlage 103:
“Hierna kopie van het originele stuk
Waarvan in bijlage bij verweerschrift passages met intern/strategisch beraad zijn (geel)gelakt (afgeplakt)
onder toepassing van 8:29 Awb)”
- Bijlage 112:
“Hierna kopie van het originele stuk
waarvan in bijlage bij verweerschrift passages met intern/strategisch beraad zijn (geel)gelakt (afgeplakt)
Onder toepassing van 8:29 Awb”.
2.7.
Belanghebbende stelt zwaarwegende redenen te hebben om van de bijlagen 100, 103 en 113 kennis te nemen. Zo zien de bijlagen 100 en 103 volgens hem op de vraag of de inspecteur informatie onrechtmatig heeft verkregen en bijlage 112 op de vraag of de inspecteur (on)voldoende voortvarend heeft gehandeld. Belanghebbende wijst er daarbij op dat aan hem een vergrijpboete is opgelegd, zodat alle informatie, zowel ontlastend als belastend, moet worden geopenbaard. [2]
2.8.
De geheimhoudingskamer constateert dat de inspecteur in de hierboven onder 2.7. aangehaalde opschriften enkel heeft opmerkt dat de bedoelde bijlagen bij het verweerschrift passages met intern/strategisch beraad bevatten, maar dat de inspecteur in zijn aanbiedingsbrief verder niet heeft toegelicht waarom belanghebbende niet over de ongeschoonde versie van deze stukken mag beschikken. Omdat een dergelijke toelichting ontbreekt is de geheimhoudingskamer van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij beschikt over gewichtige redenen die geheimhouding van de gelakte passages in de bijlagen 100, 103 en 112 rechtvaardigen. De rechtbank zal het verzoek tot geheimhouding van de bijlagen 100, 103 en 112 daarom – voor zover het niet persoonsgegevens betreft (zie 1.2) – afwijzen.
2.9.
De inspecteur wordt door de geheimhoudingskamer in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van deze beslissing schriftelijk aan de rechtbank mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt. De rechtbank wijst de inspecteur er in dit verband op dat de hoofdkamer met toepassing van artikel 8:31 Awb Pro gevolgen kan verbinden aan het niet (volledig) overleggen van de 8:42 Awb-stukken.

Beslissing

De geheimhoudingskamer:
  • wijst het verzoek om geheimhouding van de geschoonde stukken in de bijlagen 100, 103 en 112 - voor zover het
  • wijst het verzoek om geheimhouding van de geschoonde stukken in de bijlagen 100, 103 en 112 - voor zover het
  • wijst het verzoek om geheimhouding van de geschoonde stukken in de overige bijlagen toe.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. C.W.M.M. Verkoijen rechter, in aanwezigheid van mr. F.A.J.M. Wouters, griffier, op 10 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.3.1.
2.Europees Hof van de Rechten van de Mens 16 december 1992, nr. 13071/87 (Edwards v. UK).