In deze bestuursrechtelijke zaak betreffende een verzoek om geheimhouding van stukken in een belastinggeschil heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 10 juni 2024 een beslissing genomen. De inspecteur van de Belastingdienst had verzocht om geheimhouding van bepaalde passages in bijlagen bij het verweerschrift, waarbij gelakte passages waren opgenomen. De gemachtigde van belanghebbende verzette zich alleen tegen geheimhouding van drie specifieke bijlagen (100, 103 en 112).
De geheimhoudingskamer heeft geen zitting gehouden vanwege de aard van de procedure en heeft de stukken zorgvuldig gewogen. Voor de meeste bijlagen met gelakte passages die niet betwist werden, is het verzoek tot geheimhouding toegewezen. Voor de drie betwiste bijlagen heeft de rechtbank geoordeeld dat de inspecteur onvoldoende heeft toegelicht waarom geheimhouding gerechtvaardigd is, waardoor het verzoek voor die stukken is afgewezen, behalve voor persoonsgegevens.
De rechtbank heeft belanghebbende erop gewezen dat ongeschoonde versies van stukken die hij al bezit niet aan de kamer in de hoofdzaak worden verstrekt, maar dat belanghebbende deze zelf ongeschoond kan inbrengen. De inspecteur krijgt de gelegenheid binnen vier weken te reageren op de gevolgen van deze beslissing. Tegen deze beslissing kan alleen hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep in de hoofdzaak.