Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het CBR om een onderzoek naar zijn rijvaardigheid op te leggen, nadat de korpschef een vermoeden had gemeld dat eiser niet langer over de vereiste rijvaardigheid beschikte. Dit vermoeden was gebaseerd op een mutatierapport waarin diverse verkeersovertredingen werden beschreven, waaronder het rijden met hoge snelheid, het rijden over de vluchtstrook en het dicht op een voorganger rijden.
Het CBR had eerst een educatieve maatregel opgelegd, maar deze vervangen door een rijvaardigheidsonderzoek vanwege het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal door eiser. Eiser verscheen zonder tolk op het onderzoek, wat leidde tot ongeldigverklaring van zijn rijbewijs. De rechtbank oordeelt dat het mutatierapport als voldoende betrouwbaar kan worden beschouwd en dat het CBR op grond van de wet verplicht was het onderzoek op te leggen.
Eiser voerde aan dat het onderzoek onevenredig is vanwege de moeilijkheid om een vrachtwagen te huren en een tolk te regelen, maar de rechtbank acht deze bezwaren onvoldoende om het besluit te vernietigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het rijbewijs blijft ongeldig verklaard totdat het onderzoek is afgerond, en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.