Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2019, waarbij de inspecteur het inkomen had vastgesteld op basis van een uitkering van €45.348. Belanghebbende stelde dat hij recht had op een hogere uitkering, maar dat de gemeente een deel daarvan niet had uitbetaald vanwege terugvordering van te hoge uitkeringen in het verleden, wat neerkomt op negatief loon.
De inspecteur handhaafde de aanslag en wees het bezwaar af. De rechtbank stelde vast dat voor de belastingheffing het feitelijk ontvangen inkomen leidend is, niet latere herberekeningen. De jaaropgaaf van de gemeente, die overeenkomt met de loonstroken, vermeldde een bruto uitkering van €45.348, maar belanghebbende ontving slechts €13.528. Het verschil van €15.898 werd niet uitgekeerd vanwege verrekening met een openstaande vordering.
De rechtbank kwalificeerde dit verschil als negatief loon, omdat het een terugbetaling betreft van eerder genoten, volgens de gemeente ten onrechte ontvangen loon. Dit negatieve loon komt in mindering op het belastbaar inkomen, waardoor het inkomen wordt vastgesteld op €29.548. De aanslag en de belastingrente worden dienovereenkomstig verminderd. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht moet vergoeden.