ECLI:NL:RBZWB:2024:4144
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op kwijtscheldingswinstvrijstelling bij beëindiging franchiseonderneming
Belanghebbende, een voormalig franchiseondernemer, voerde beroep aan tegen de aanslagen inkomstenbelasting en Zvw over 2019, waarin de inspecteur de kwijtscheldingswinstvrijstelling niet toepaste op een schuld van € 67.200 aan de franchisegever [B.V.].
De rechtbank onderzocht of de schuld ten tijde van de kwijtschelding niet voor verwezenlijking vatbaar was, een vereiste voor de vrijstelling. Belanghebbende stelde dat de franchisegever, als onafhankelijke derde, de schuld had kwijtgescholden vanwege oninbaarheid, mede ondersteund door een e-mail van een oud-directeur. De inspecteur betwistte dit en wees op voldoende privévermogen en toekomstige verdiencapaciteit van belanghebbende.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de schuld niet voor verwezenlijking vatbaar was. De aanwezigheid van privévermogen en het ontbreken van bewijs van pogingen tot inning door de franchisegever waren doorslaggevend. De kwijtscheldingswinstvrijstelling werd daarom niet toegekend en de aanslagen bleven gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende op toepassing van de kwijtscheldingswinstvrijstelling wordt ongegrond verklaard en de aanslagen blijven gehandhaafd.