Op 19 juni 2024 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant verdachte veroordeeld voor het plegen van ontucht met een cliënt aan wie hij in zijn functie als ondersteuner bij een woonvoorziening zorg verleende. De feiten vonden plaats in de nacht van 19 op 20 mei 2023, waarbij verdachte misbruik maakte van de afhankelijkheidsrelatie en de kwetsbaarheid van de cliënt. De rechtbank achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en verwierp het verweer van verdachte dat hij onder dwang handelde.
De rechtbank stelde vast dat verdachte in een gecontroleerde situatie seksuele handelingen verrichtte met de cliënt, die niet vrijwillig handelde. De ontuchtige handelingen werden bewezen verklaard en het verweer van de verdediging verworpen. Verdachte werd strafbaar geacht omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig waren.
De rechtbank legde een maximale taakstraf van 240 uur op, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd een beroepsverbod van vijf jaar opgelegd om te voorkomen dat verdachte in de toekomst met kwetsbare personen werkt. De benadeelde partij werd toegewezen een immateriële schadevergoeding van €3.000, terwijl overige vorderingen werden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard.
De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en het feit dat hij nog studeerde. De rechtbank vond een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden, zoals gevorderd door het Openbaar Ministerie, te zwaar in combinatie met het beroepsverbod.
De beslissing werd genomen na een inhoudelijke behandeling op 5 juni 2024, waarbij zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging hun standpunten presenteerden. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 19 juni 2024.