ECLI:NL:HR:2003:AJ1188
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt deel veroordeling wegens dwang bij seksuele handelingen masseur/hypnotherapeut
De zaak betreft een masseur en hypnotherapeut die tussen mei 1999 en april 2000 seksuele handelingen heeft verricht met een cliënte, waarbij sprake was van een afhankelijkheids- en vertrouwensrelatie. De verdachte werd door het hof veroordeeld voor verkrachting (art. 242 Sr Pro) en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, met een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes voorwaardelijk.
In cassatie stelde de verdachte onder meer dat de dwang niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid. De Hoge Raad oordeelde dat het bestaan van dwang door een feitelijkheid zoals bedoeld in art. 242 Sr Pro niet enkel kan worden afgeleid uit de afhankelijkheidsrelatie en het overwicht van de verdachte op het slachtoffer. Voor een veroordeling is vereist dat het slachtoffer door gedragingen van de verdachte, die een bedreigende sfeer creëren, daadwerkelijk is gedwongen tot de seksuele handelingen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de verkrachting betreft en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd bevestigd dat misbruik van een afhankelijke positie strafbaar is (art. 249 Sr Pro), maar dat dwang in de zin van verkrachting meer concreet moet worden vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het deel van het arrest over verkrachting wegens onvoldoende bewijs van dwang en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.