ECLI:NL:RBZWB:2024:4230

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juni 2024
Publicatiedatum
20 juni 2024
Zaaknummer
24/3977
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 1 lid 2 Boek 5 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening stillegging werkzaamheden landbouwgrond

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het waterschap Scheldestromen om een verzoek om vergoeding van belastingschade af te wijzen. Zij verzocht tevens om een voorlopige voorziening om werkzaamheden op haar perceel landbouwgrond stil te leggen in afwachting van de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen wordt getroffen bij onverwijlde spoed en onomkeerbaarheid van gevolgen. Stillegging van werkzaamheden is een ingrijpende maatregel die niet lichtvaardig wordt opgelegd. Bovendien leidt het schorsen van het besluit tot weigering van vergoeding niet automatisch tot stillegging van werkzaamheden. Financiële belangen zijn op zichzelf onvoldoende reden voor een voorlopige voorziening, tenzij sprake is van een financiële noodsituatie.

Verzoekster kon geen spoedeisend belang aantonen en gaf aan niet in financiële nood te verkeren. Daarnaast bleek uit een akte van levering dat zij het eigendom van de landbouwgrond reeds had overgedragen aan het waterschap, waardoor zij geen eigenaar meer was ten tijde van het verzoek. Gezien deze omstandigheden wees de voorzieningenrechter het verzoek af en zag geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot stillegging van werkzaamheden op landbouwgrond wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en eigendomsoverdracht aan het waterschap.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3977

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juni 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster.

en

Het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen.

Inleiding

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van verweerder van 22 april 2024 tot afwijzen van een verzoek om vergoeding van belastingschade. Zij heeft de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om werkzaamheden op een perceel landbouwgrond stil te leggen in afwachting van duidelijkheid over de vergoeding van belastingschade.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid).
2. Het bij wijze van voorlopige voorziening opdragen dat werkzaamheden worden stilgelegd is een vergaande maatregel, die niet lichtvaardig wordt getroffen door de voorzieningenrechter en niet zonder meer past bij het karakter van een voorlopige voorzieningenprocedure. Daarnaast zal het schorsen van het bestreden besluit – bestaande uit een weigering om belastingschade te vergoeden – niet tot gevolg hebben dat de werkzaamheden worden stilgelegd. Een financieel belang vormt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] op zichzelf onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Eventuele schade kan immers worden verhaald indien achteraf blijkt dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Dit kan anders zijn, indien aannemelijk is dat verzoekster in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren.
3. De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 24 mei 2024 verzocht om het spoedeisend belang nader toe te lichten. In een e-mailbericht van 31 mei 2024 heeft verzoekster daarop gereageerd en heeft zij aangegeven dat zij niet in een financiële noodsituatie komt als gevolg van het bestreden besluit en het spoedeisend belang daarom niet hard kan maken.
4. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster onvoldoende (spoed)eisend belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft daar ook bij in aanmerking genomen dat uit een door verzoekster overgelegde ‘akte van levering’ van 1 november 2023 blijkt dat verzoekster het eigendom van de landbouwgrond op diezelfde dag heeft geleverd (overgedragen) aan waterschap Scheldestromen. De voorzieningenrechter leidt daaruit af dat verzoekster daar ten tijde van haar verzoek om voorlopige voorziening dus geen eigenaar meer van was. Uit artikel 1, tweede lid, van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat het de eigenaar vrij staat om van een zaak (de landbouwgrond) gebruik te maken.
5. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 21 juni 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2885, r.o. 3.