ECLI:NL:RBZWB:2024:4281
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2022, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €332.000. Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) die op deze waarde was gebaseerd. De rechtbank beoordeelde het beroep op basis van de vergelijkingsmethode, waarbij de waarde wordt bepaald aan de hand van verkoopprijzen van vergelijkbare woningen rond de waardepeildatum.
De heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarde met een taxatierapport waarin drie referentiewoningen werden gebruikt die voldoende vergelijkbaar werden geacht. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen, onder meer door correcties op m2-prijzen en andere kenmerken.
Belanghebbende voerde aan dat de WOZ-waarde te hoog was door een te hoge referentiewoning en een te sterke waardestijging ten opzichte van het voorgaande jaar. De rechtbank verwierp deze gronden, onder meer omdat de waarde wordt bepaald aan de hand van meerdere verkoopprijzen en de WOZ-waarde elk jaar opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele feiten en omstandigheden.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen griffierechtvergoeding. De uitspraak is gedaan op 19 juni 2024 door rechter M.E. de Boer.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de waarde van €332.000 blijft gehandhaafd.