Belanghebbende maakte bezwaar tegen de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van zijn woning op 1 januari 2022, die was vastgesteld op €815.000. Dit leidde tot een aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) voor 2023. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond en handhaafde de waarde en aanslag.
Het beroep werd op 8 mei 2024 behandeld door de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda, waarbij belanghebbende en een taxateur namens de heffingsambtenaar aanwezig waren. Tijdens de zitting bereikten partijen een compromis waarbij de waarde van de woning werd vastgesteld op €784.000.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en paste de waarde aan tot €784.000. Tevens werd bepaald dat de heffingsambtenaar het griffierecht van €50 aan belanghebbende moet vergoeden. De uitspraak werd op 19 juni 2024 openbaar gemaakt en partijen geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.