Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning te Breda, waarvan de WOZ-waarde op 1 januari 2021 is vastgesteld op €914.000. Tegen deze vaststelling en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting heeft belanghebbende bezwaar gemaakt, dat door de heffingsambtenaar is afgewezen.
Belanghebbende betwist de hoogte van de WOZ-waarde en stelt dat de waarde maximaal €880.000 bedraagt. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen die zijn gebruikt bij de vergelijkingsmethode.
De heffingsambtenaar onderbouwt de waarde met een taxatiematrix en taxatieverslag, waarin drie referentiewoningen zijn vergeleken. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe met verschillen in perceeloppervlak, wooninhoud, voorzieningenniveau en ligging is omgegaan. De stellingen van belanghebbende over onvoldoende correcties en waardering van bijgebouwen worden verworpen, mede omdat deze pas ter zitting zijn ingebracht.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de WOZ-waarde van €914.000.