Naar het oordeel van het Hof, heeft de heffingsambtenaar, zoals blijkt uit onder meer het verweerschrift in eerste aanleg, waarnaar de heffingsambtenaar in hoger beroep verwijst, met de in het taxatierapport van belanghebbende vermelde gebreken voldoende rekening gehouden. Op 8 augustus 2019 heeft de taxateur [C] de woning inpandig opgenomen. In het verweerschrift is daarover opgenomen:
“Van matig onderhoud, zoals in diverse stukken genoemd, is geen sprake. Er is zeer zeker sprake van mankementen aan de woning en de woning voldoet niet op alle punten zoals tegenwoordig als ‘standaard’ wordt vereist: Het plafond in de woonkamer is van zachtboard. In 2006 is de keuken geplaatst. Het 'fineer’ van een aantal kastjes laat los, de oven is defect en er is geen inbouwkoelkast. Het sanitair (toilet beneden en badkamer op de 1e verdieping) is in 2002 geplaatst. Overigens in een neutrale kleurstelling en nog niet echt gedateerd. Op de b.g. van de douche laat een aantal tegelvoegen los omdat er waarschijnlijk getegeld is op een (deels) houten vloer. Er zijn wat lekkages op de eerste verdieping geweest. Zo is er bij de badkamer al eens een lekkage geweest en ook bij een kraan op een slaapkamer. Deze lekkages zijn in de loop der tijd verholpen. De woning is beslist niet vochtig (meer). (…) In 2002 is het middengedeelte van de houten vloer vervangen; de uiteinden niet. Mogelijk zijn de balken eronder slecht. Er is echter geen aanleiding om aan te nemen dat de vloer direct zal inzakken. In de aanbouw van de woning zit de keuken, een 'speelkamer' en een kantoortje. In de aanbouw zitten bij boven-en onderkant van de ramen en in een hoek van de woning enige scheuren. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door wat 'werking’ in de woning in combinatie met wat zwakke plekken door de ramen. Het dak is in 2002 tezamen met [a-straat] 100 van buiten uit geïsoleerd. Daarmee heeft het wel een slechtere isolatie dan de woningen die heden ten dage worden gebouwd maar een betere isolatie dan de meeste andere onderbouwende verkopen die zijn gebruikt. De schuur is slecht en er zit een asbest dak op. Het asbest mag echter eigenhandig zonder vergunning worden verwijderd en is ook relatief eenvoudig te verwijderen. Meest voor de hand liggende is in deze situatie dat de schuur in zijn geheel zal worden gesloopt. De negatieve invloed van deze aanwezigheid van asbest zal gezien bovenstaande minimaal zijn. Extreme wateroverlast ter plekke is niet bekend. Indien een opsomming wordt gemaakt van de staat van de woning als hierboven dan kan inderdaad de indruk worden gewekt dat de staat van de woning slecht is. Maar dat is geenszins het geval. Het is in relatie met het bouwjaar van de woning een ‘gemiddelde’ woning.”
De taxateur heeft vervolgens vastgesteld dat de staat van de 'spiegelwoning’, [a-straat] 100 te [Z] , op het moment van de verkoop zeer goed vergelijkbaar was met die van de onroerende zaak. Daarmee is, naar het oordeel van het Hof, door uit te gaan van met name dat referentieobject, voldoende rekening gehouden met de door belanghebbende gestelde gebreken. Uit de verkoop van de [a-straat] 100 volgt bovendien een prijs voor de woning per m² van € 1.997, terwijl in de taxatiematrix voor de onroerende zaak is uitgegaan van een prijs per m² van € 1.453. Indien en voor zover de gebreken van de onroerende zaak niet volledig aanwezig zouden zijn in de ‘spiegelwoning’, is, naar het oordeel van het Hof, een waardedruk vanwege die gebreken ruimschoots gecompenseerd. Belanghebbende heeft te dien aanzien nog gesteld dat de in de taxatiematrix van de heffingsambtenaar in de door hem genoemde prijzen per m² de voor de desbetreffende referentieobjecten in aanmerking genomen aftrek voor afwijkend onderhoud, kwaliteit, enzovoorts, niet zijn begrepen. Belanghebbende bepleit, naar het Hof begrijpt, dat de prijzen voor de woonoppervlaktes van de opgevoerde referentieobjecten zouden moeten worden herrekend door eerst op de waarde van het hoofdgebouw – voor zover aan de orde – de bedoelde aftrekken in mindering te brengen en het geheel daarna te delen door het aantal m²’s, waardoor een lagere gemiddelde prijs per m² ontstaat, welke ook maatgevend zou moeten zijn voor de onroerende zaak. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt, reeds niet omdat in de door belanghebbende gesuggereerde werkwijze besloten ligt dat de specifieke gebreken van bepaalde referentieobjecten ook zouden doorwerken in de waarde van de onroerende zaak waar die gebreken, voor zover tot uitdrukking gebracht in de taxatiematrix, nu juist niet aan de orde zijn. Overigens zijn, blijkens de taxatiematrix, geen aftrekken gepleegd met betrekking tot de hiervoor genoemde ‘spiegelwoning’, die het Hof, zoals hiervoor overwogen, maatgevend acht.