Eiser betwistte de intrekking van zijn parkeervergunning ‘vrij van kenteken’ door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere. De vergunning was oorspronkelijk geldig tot eind 2020 en werd na wijzigingen in het parkeerregime verlengd tot 31 maart 2021. Het college trok de vergunning per direct in op 18 oktober 2022, waarna eiser bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank behandelde het beroep op 14 juni 2024.
Eiser voerde aan dat de intrekking in strijd was met de Dienstenrichtlijn, het rechtszekerheidsbeginsel en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was. De rechtbank oordeelde dat eiser geen ondernemer is en dus geen belang heeft onder de Dienstenrichtlijn. Ook is het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel ongegrond omdat de overgangsperiode van drie maanden voldoende duidelijk was en het intrekkingsartikel in de verordening expliciet is.
Hoewel het college in het bestreden besluit onvoldoende had gemotiveerd welk openbaar belang prevaleerde, werd dit tijdens de zitting toegelicht. Het college mocht het belang van één parkeerregime boven het belang van eiser laten prevaleren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bepaalde dat het griffierecht aan eiser wordt vergoed.