De huurder huurt sinds december 2019 een woning en heeft sinds oktober 2022 zelfstandig de huurprijs van €1.016,02 per maand te voldoen. Er is een aanzienlijke huurachterstand ontstaan, die inmiddels zes maanden bedraagt, en de huurder heeft structureel niet tijdig betaald. Verhuurster vordert ontruiming van de woning en betaling van achterstallige huur, wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en een contractuele boete wegens onderverhuur.
De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand niet is betwist en dat de huurder zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst toerekenbaar heeft geschonden. Hoewel verhuurster niet volledig aan haar verplichting tot vroegsignalering volgens het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening heeft voldaan, acht de rechter dit niet doorslaggevend omdat het niet aannemelijk is dat vroegsignalering de huurachterstand had kunnen voorkomen gezien de situatie van de huurder.
De gestelde onderverhuur en bedrijfsmatige activiteiten zijn onvoldoende onderbouwd, waardoor de contractuele boete wordt afgewezen. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt eveneens afgewezen vanwege een onvolledige aanmaning. De kantonrechter veroordeelt de huurder tot ontruiming binnen vier weken, betaling van de achterstallige huur, wettelijke rente en proceskosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.