Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2019 en 2020, opgelegd door de inspecteur. De inspecteur stelde dat vanaf 2019 geen sprake meer was van een bron van inkomen, omdat de onderneming per overlijdensdatum van een vennoot zou zijn gestaakt.
De rechtbank beoordeelde of de aanslagen terecht waren opgelegd en richtte zich vooral op de vraag of er sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Uit het overzicht van de resultaten van de vennootschap onder firma (V.O.F.) bleek dat er in 2019 een positief resultaat was en dat de verliezen in eerdere jaren incidenteel en niet structureel waren.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet had bewezen dat er geen redelijk vooruitzicht op voordeel was. Ook het relatief kleine areaal van circa 20 hectare vormde geen belemmering voor het bronkarakter. De rechtbank concludeerde dat de onderneming in 2019 en 2020 winst uit onderneming genoot en dat de aanslagen dienovereenkomstig moesten worden herzien.
Daarnaast werd de belastingrente verminderd in lijn met de aanslagcorrectie. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak is openbaar en kan binnen zes weken worden bestreden door hoger beroep.