ECLI:NL:RBZWB:2024:4499
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing dwangsombeschikking wegens niet-tijdig beslissen op verzoeken ambtshalve vermindering aanslagen
Belanghebbende had verzoeken ingediend om ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2017 en 2018. Nadat de inspecteur niet tijdig had beslist, stelde belanghebbende de inspecteur in gebreke en verzocht om een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen.
De inspecteur besloot uiteindelijk op de verzoeken en wees de dwangsombeschikking af. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank beoordeelt vervolgens of de dwangsombeschikkingen terecht zijn afgewezen.
De rechtbank oordeelt dat de beslissingen van de inspecteur op de verzoeken om ambtshalve vermindering op 10 mei 2022 aan belanghebbende zijn toegezonden, waardoor deze tijdig zijn gegeven in de zin van artikel 4:17 Awb Pro. De dagtekening van de beschikking (12 mei 2022) is niet bepalend. Ook het standpunt van belanghebbende dat de inspecteur ten onrechte samenhang aannam tussen de ingebrekestellingen wordt verworpen, omdat dit niet tot benadeling heeft geleid.
De beroepen worden ongegrond verklaard, belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 3 juli 2024.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de dwangsombeschikking worden ongegrond verklaard omdat de inspecteur tijdig heeft beslist.