ECLI:NL:CRVB:2019:1522
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoogte dwangsombesluit wegens niet tijdig beslissen bijzondere bijstand
Appellant verzocht bijzondere bijstand voor griffierecht, welke door het college werd afgewezen. Na bezwaar en beroep stelde appellant dat het college niet tijdig had beslist, waardoor een dwangsom verschuldigd was. De rechtbank oordeelde dat het besluit op bezwaar op 2 juni 2016 was ontvangen en kende een dwangsom van €280,- toe.
In hoger beroep betwist appellant de ontvangstdatum en stelt dat het besluit niet tijdig is verzonden. De Raad oordeelt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op 1 juni 2016 is verzonden en bekendgemaakt conform de Awb. Hierdoor is de dwangsom over een langere periode verschuldigd.
De Raad bepaalt dat de dwangsom over de periode van 19 mei tot en met 27 juni 2016 moet worden berekend, wat neerkomt op €1.220,-. Het eerdere dwangsombedrag van €280,- wordt verrekend, zodat het college een nabetaling van €940,- moet doen. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het college is gehouden een dwangsom van €1.220,- te betalen wegens niet tijdig beslissen en wordt veroordeeld in de proceskosten en vergoeding van griffierecht.