ECLI:NL:RBZWB:2024:4547
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aftrek arbeidsongeschiktheidsverzekeringspremies bij Duitse verzekeraar
Belanghebbende woonde in Nederland en bracht in zijn aangiften inkomstenbelasting voor 2017, 2018 en 2019 premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) bij een Duitse verzekeringsmaatschappij in aftrek. De inspecteur wees deze aftrek af en legde navorderingsaanslagen op. De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsmaatschappij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.126 Wet IB 2001, waardoor de premies niet aftrekbaar zijn.
Belanghebbende voerde aan dat de regeling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en EU-recht, onder meer vanwege discriminatie en belemmeringen van het vrije verkeer van diensten. De rechtbank stelt dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de regeling niet leidt tot ongeoorloofde discriminatie of strijd met EU-recht. De voorwaarden voor aanwijzing van buitenlandse verzekeraars zijn proportioneel en gericht op gelijke behandeling.
De rechtbank concludeert dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de premies en verklaart de beroepen ongegrond. De navorderingsaanslagen en belastingrentebeschikkingen blijven in stand, en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering bij de Duitse verzekeraar niet aftrekbaar zijn.