ECLI:NL:HR:2010:BM0497
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strijdigheid aftrekbeperking arbeidsongeschiktheidsverzekeringspremie met EU-vrijheid van diensten
Belanghebbende, een in Nederland wonende en werkzame zelfstandig medisch specialist, sloot in 2003 een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering af bij een Duitse verzekeraar die niet was aangewezen als toegelaten aanbieder volgens de Nederlandse Wet IB 2001. De betaalde premie werd door de Inspecteur niet als aftrekpost geaccepteerd, waarna belanghebbende bezwaar maakte en in eerste aanleg gelijk kreeg van de rechtbank. Het hof bevestigde deze uitspraak.
De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in. De Hoge Raad behandelde de vraag of de uitsluiting van aftrek van de premie voor de buitenlandse verzekering in strijd is met artikel 56 VWEU Pro, dat de vrijheid van diensten binnen de EU beschermt. De Hoge Raad oordeelde dat de Nederlandse regeling een belemmering vormt voor het vrij verrichten van diensten, omdat zij buitenlandse verzekeraars zwaarder belast dan binnenlandse, onder meer door de eis van zekerheidstelling.
De Hoge Raad verwierp de door de Staatssecretaris aangevoerde rechtvaardigingsgronden, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie. Ook de wijziging van het Uitvoeringsbesluit in 2004 kon niet met terugwerkende kracht worden toegepast. De premie die belanghebbende aan de Duitse verzekeraar betaalde, is derhalve aftrekbaar. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Minister van Financiën in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de premie voor de Duitse arbeidsongeschiktheidsverzekering aftrekbaar is.