Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021, met name tegen de hoogte van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. De inspecteur had het forfaitaire rendement berekend over een rendementsgrondslag van € 548.192, waarvan € 443.600 aan belanghebbende werd toegerekend, wat resulteerde in een forfaitair rendement van € 12.154. Belanghebbende stelde dat het werkelijke rendement lager was en verwees naar het Kerstarrest van de Hoge Raad.
De rechtbank oordeelde dat het forfaitaire rendement volgens de wet was vastgesteld, maar dat het Kerstarrest en een recent arrest van 6 juni 2024 aangeven dat het werkelijke rendement ook ongerealiseerde waardeveranderingen moet omvatten. Voor belanghebbende betekende dit dat de waardestijging van de woning aan de [adres 2] van € 22.000 moest worden meegeteld bij het werkelijke rendement, dat daarmee uitkwam op € 22.006 inclusief rente.
Omdat het forfaitaire rendement van € 15.020 lager was dan het werkelijke rendement, was er geen reden om de wettelijke regeling niet toe te passen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Daarnaast had belanghebbende geen recht op een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen, omdat de inspecteur binnen de wettelijke termijn uitspraak op bezwaar had gedaan.