Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de minister van Financiën
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Subsidiair heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat door het stellen van de voorwaarde van een notariële akte er sprake is van een discriminatoir onderscheid, dan wel een verzwaarde bewijslast. Het vereiste van een notariële akte is niet proportioneel. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst eiseres naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. [1] Verder heeft eiseres nog opgemerkt dat het in de informele sfeer niet gebruikelijk is om voorafgaand aan een lening een notariële akte op te stellen. Daar komt bij dat een ouder die al in de financiële problemen zit, de kosten van een notariële akte niet kan dragen. Het vasthouden van de voorwaarde van een notariële akte is in strijd met de menselijke maat. Eiseres heeft verder nog verwezen naar de voortgangsrapportage 4e kwartaal en de daarbij behorende bijlage van SBN. Hieruit maakt eiseres op dat het vereiste van een notariële akte onevenredig is en dat het leveren van bewijs tot de mogelijkheden moet behoren.
Overwegingen rechtbank
Ter zitting is namens de minister verklaard dat de minister het besluit voor zijn rekening neemt. Omdat de programmadirecteur, via ondermandaat, ook bevoegd was om namens de minister te beslissen zal de rechtbank aan de onjuiste vermelding van de mandaatgever in het bestreden besluit geen gevolgen verbinden.
Conclusie en gevolgen
Informatie over hoger beroep
Wet hersteloperatie toeslagen (zoals deze luidde ten tijde in geding).
[…]