ECLI:NL:RBZWB:2024:4698
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking Alcoholwetvergunning wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster exploiteert een café en kreeg in 2016 een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet, die sinds 2021 geldt als Alcoholwetvergunning. De burgemeester heeft deze vergunning ingetrokken op 19 juni 2024 wegens onjuiste of onvolledige gegevens bij de aanvraag, met name over de rol van verzoeksters echtgenoot als leidinggevende.
Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 9 juli 2024 en beoordeelde of er sprake was van een spoedeisend belang. Verzoekster stelde dat het intrekken van de vergunning haar inkomsten wegneemt en zij geen financiële buffer heeft, wat tot faillissement kan leiden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang financieel van aard is en dat een financieel belang op zich geen reden is voor een voorlopige voorziening. Er was geen sprake van een financiële noodsituatie, mede omdat verzoekster en haar echtgenoot andere inkomstenbronnen hebben en geen pogingen hadden ondernomen om elders werk te vinden.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor de intrekking van de vergunning onverminderd van kracht blijft. Verzoekster kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de Alcoholwetvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.