Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het rijden op het fietspad op 9 november 2021 in Tilburg. Hij stelde beroep in tegen de boete, waarbij hij aanvoerde dat de officier van justitie niet tijdig had beslist en dat hij onbetrouwbaar was behandeld. De officier van justitie erkende een schending van de hoorplicht en vroeg matiging van de boete.
De rechtbank stelde vast dat de beslissing tijdig was genomen binnen de wettelijke termijn van 16 weken. De gedraging was onomstreden en bewezen op basis van de verklaring van de verbalisant. Wel was sprake van een structurele schending van de hoorplicht omdat betrokkene niet in de gelegenheid was gesteld te worden gehoord, wat leidt tot vernietiging van de beslissing op het administratief beroep.
Daarnaast was de redelijke termijn van behandeling met ruim zes maanden overschreden, wat ook aanleiding gaf tot verdere matiging van de boete. De rechtbank matigde de boete in totaal met 50%, stelde het beroep deels gegrond en beval terugbetaling van het teveel betaalde bedrag aan betrokkene.