Eiser diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand, welke door het college van burgemeester en wethouders van Breda aanvankelijk buiten behandeling werd gesteld wegens het ontbreken van noodzakelijke gegevens. Na bezwaar wees het college de aanvraag af omdat eiser geen controleerbare bewijsstukken kon overleggen over zijn feitelijke verblijfplaats, ondanks zijn stelling dat hij dakloos was en van vrienden leefde.
De rechtbank oordeelt dat de bewijslast voor het aantonen van bijstandbehoevendheid bij eiser ligt, die ook bij dakloosheid controleerbare gegevens moet aanleveren. Het ontbreken hiervan maakt het voor het college onmogelijk om het recht op bijzondere bijstand vast te stellen, waardoor de afwijzing gegrond is.
Wel stelt de rechtbank vast dat het college het primaire besluit ten onrechte buiten behandeling stelde omdat de hersteltermijn niet aan de gemachtigde van eiser was gestuurd. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van het primaire besluit. De rechtbank treedt zelf in de zaak en verklaart het bezwaar gegrond.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het college tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser, omdat het college ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende terwijl het bezwaar gegrond had moeten worden verklaard.
De uitspraak is gedaan door rechter J.W. Ponds op 30 juli 2024 en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie.