Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het rijden op het trottoir op 3 juli 2021 te Tilburg. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter. Bij de eerste zitting op 23 september 2022 werd vastgesteld dat de ingediende machtiging niet voldeed aan de vereisten en dat het beroepschrift geen gronden bevatte. Betrokkene kreeg de mogelijkheid om binnen 14 dagen een correcte machtiging en beroepsgronden in te dienen, maar heeft dit nagelaten.
Op de zitting van 25 juni 2024 verschenen noch betrokkene noch zijn gemachtigde. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet is voldaan aan de eis van een juiste machtiging zoals vereist in artikel 1.9 van het procesreglement Wahv. De machtiging was ondertekend door een ander dan betrokkene, waardoor het beroep niet rechtsgeldig kon worden behandeld.
De uitspraak is openbaar gedaan en betrokkene wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, mits aan de voorwaarden wordt voldaan.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een correcte machtiging.